2001 Winterslaap

Over Jaap, die niet mag groeien

Jaap woont onder de grond in een hol en heeft Bronchitus als beste vriend. Zij/hij zorgt voor zijn/haar ouders en weet weinig van de wereld buiten. Vader en moeder liggen de hele dag in bed en eten als ze wakker zijn hutspot met kakkerlakken. Hun leventje is goed en ze zijn tevreden. Wel blijven ze bang voor het gevaar van buiten. Gelukkig blijft Jaap wakker als zij slapen. Vader en moeder realiseren zich dat Jaap het enige is dat ze hebben en willen dat Jaap voor altijd bij hen blijft. Dus mag Jaap niet groeien. Maar Jaap groeit toch, komt erachter dat ze een meisje is en gaat op zoek naar de wereld buiten het hol.

Vader: Kijk Jaap, het zit zo. Vroeger waren je moeder.
Moeder: en ik.
Vader: Helemaal niet gelukkig
Moeder: helemaal niet.
Vader: Dus we verhuisden
Moeder: want dat doe als je niet gelukkig bent.
Vader: En toen kwamen we hier,
Moeder: en toen kregen we jou,
Vader: om voor ons te zorgen
Moeder: en toen waren we weer heel gelukkig.
Vader: Einde
Moeder: Verrukkelijk, kom hier (omhelzing)

  • tekst Heleen Verburg
  • Spel: Dave Mantel, Annerieke Otten, Esther Wouters
  • Regie: Jellie Schippers, Annerieke Otten